A.P. Hossfeld de noodzender Zierikzee

Mijn verhaal over de watersnood te Zierikzee, Schouwen Duiveland, en over wat er gebeurde tijdens en na de ramp van 1 Februari 1953.

Wat mijzelf overkwam en hoe het daarna verder ging. In de bewuste rampnacht werd ik uit mijn slaap gewekt door een hels lawaai van klokgelui, sirenes en een woest geruis van stromend water.

Na enkele seconden drong het tot mij door,dat de dijken het misschien hadden begeven.Toen ik uit mijn bed sprong, stond ik al in het koude water. Er schoot van alles door mijn hoofd terwijl ik naar mijn kleren zocht die over een stoel moesten hangen. Toen ik deze vond, waren ze ook al nat geworden.

Ik bewoonde een zeer oud huis, in de St.Domusstraat, het was gammel en ik was bang dat het zou instorten door het watergeweld. Door deze angst wilde ik het huis haastig verlaten en wekte mijn zoontje van vier jaar, die nog rustig lag te slapen. Na hem snel te hebben gewekt reageerde hij erg angstig terwijl ik hem wat kleertjes aandeed. Doordat er op dit moment nog stroom aanwezig was, kon ik zien hoe snel het water steeg. Ik zei tegen hem, houd papa goed vast aan zijn nek en laat niet los, wat er ook gebeurt! Wij gaan vlug het huis uit het water in. Toen ik de huisdeur met moeite open kreeg, werden wij weer teruggeworpen het huis in door de watermassa. Met veel geworstel kwam ik toch voorbij de voordeur en werd gelijk meegesleurd door het woeste water, waarin allerlei huisraad en vee rond kolkte.

Met uiterste inspanning kon ik de overkant van de straat bereiken die snel in een woeste rivier veranderd was. Ik kon mij vastgrijpen aan een ijzeren hekwerk van een huis en kon via een raam het pand binnenkomen en ging gelijk naar de zolderverdieping waar ik dacht voorlopig veilig te zijn. Ik vond een grote wollen driekleur waarmee ik ons kon toedekken. Van golfkarton wat daar lag heb ik voor de kleine man schoentjes kunnen maken. Ondanks alle belevenissen, hield hij zich erg flink, alsof hij begreep dat dit wel nodig was. Toen het licht werd in de ochtend, konden wij het pand verlaten met de hulp van andere mensen, die ons naar een hoger gelegen gedeelte van Zierikzee brachten, waarop ik verder kon naar de zaak waar ik werkte, de fa. Weltevreden.
Het was een gelukkige omstandigheid, dat mijn vrouw enige dagen te voren met de andere kinderen naar haar ouders in Eindhoven was gegaan.

Ik kon mijn zoontje achterlaten bij de vrouw van mijn werkgever, en ben toen gaan helpen bij de dijken. Daar aangekomen, bleek het mij al gauw dat daar geen positief werk verricht kon worden omdat de stroming veel te sterk was.

Terwijl ik terugging naar de zaak, hoorde ik terloops dat er geen verbinding te krijgen was met de buitenwereld ook niet per telefoon. De algemene toestand werd hierdoor helemaal uit zijn verband gerukt omdat niemand wist wat er gedaan moest worden om de situatie enigzins te beheersen. Mensen van de gemeente en politie konden ook geen raad geven over wat er moest gebeuren. Er moest hoe dan ook verbinding worden gemaakt met de buitenwereld. Maar waarmee dan?

Terwijl Ik onderweg was naar de zaak, zocht ik in gedachten naar materiaal voor de bouw van een zender. Daar aangekomen, gaf ik mijn werkgever te kennen te willen proberen een noodzender te bouwen om contact te maken met de buitenwereld. Hij zei dat zoiets onmogelijk zou zijn, omdat hiervoor geen materiaal aanwezig was om zoiets te maken. Maar terwijl ik in de werkplaats materiaal bij elkaar zocht, nam het beeld in mijn hoofd toch vastere vorm aan hoe het moest worden om succes te kunnen hebben.

Vanaf mijn negende jaar was ik al bezig met radio, eerst kristal ontvangers, dan eenkringers, tweekringers en daarna supers en de eerste toestellen in die tijd meestal op een grondplank. Altijd in de weer met alles wat ik maar kon kopen wat maar op radio onderdelen leek. Meestal op de rommelmarkt. Er was op den duur echter niet veel meer te koop en zeker niet in de dagen tijdens en vlak na de oorlog.

Toch maar proberen radio’s te bouwen! Als er maar geluid uit kwam! De meest gekke radio’s heb Ik toen gebouwd, waarvoor Ik de spoelen en raamantennes zelf maakte.

In oorlogstijd heb ik toch nog enige tijd het radioinstituut Steehouwer kunnen bezoeken voor studie. Later werkte ik o.a. voor een kleine firma in den Haag, waar ik voor Indische mensen die weer terug gingen naar lndie, gewone radio’s ombouwde. De langegolf spoelen werden er uitgehaald en vervangen door spoelen voor de z.g. tropenband. Deze wikkelde ik zelf. Daarna ging ik naar zeeland om in Zierikzee te gaan werken. Nu terug dus naar de noodzender. Radio ervaring genoeg, maar een zender maken was natuurlijk wat anders.

Ik richtte de zender eerst in voor de middengolf, met het idee erachter dat daarop veel mensen zouden luisteren. Hiermee bezig zijnde zag ik al gauw in dat ik hiervoor nooit genoeg energie zou kunnen opwekken en bouwde de zaak haastig om naar de 80m band. Een EL3 moest als oscillator fungeren samen met een spoel gewikkeld met katoen-omsponnen draad op een stuk pertinax koker uit een batterij-toestel. Hierover een normale afstemcondensator. De heer Piet Meerman, a.s. schoonzoon van de baas was hierbij aanwezig en volgde alles met belangstelling. Plots kwam hij aan met een PTT man die mij een zendbuis 807 aanbood om te gebruiken, hiermee was ik in mijn sas en kon hiermee de EL6 vervangen die ik eerst wilde gebruiken.

Inmiddels kwam er ook nog een jongeman bij, Koopman, deze was een studie begonnen aan de T.H. en bood zijn diensten aan. Technische hulp was welkom maar ondanks zijn goede bedoelingen bleek dat hij niet in staat was om hulp te bieden wegens gebrek aan kennis. Later toen de zaak werkte kon hij toch tijdelijk oproepen en boodschappen aannemen.

Een versterker leverde de gloeistroom en hoogspanning, door een wijziging in de voeding hiervan, was de hoogspanning voldoende om de 807 tot leven te wekken.

De tweede versterker diende als modulator. Het moest dus een phoniezender worden, aangezien ik het morse alfabet allang vergeten was. Een normale uitgangstrafo moest hierbij uitkomst brengen. Deze werd in de schakeling opgenomen onderaan de anodespoel met de secundaire wikkeling. Op het knoop­punt hiervan werd met een condensator h.f. ontkoppeld. De laagohmige kant kwam aan de uitgang van de versterker. Aangezien er een spoel nodig was met een flinke diameter, viel mijn oog toevallig op een fles met gedestilleerd water. Dit water werd gebruikt voor de accu’s van schippers voor hun radio’s. Na deze fles haastig te hebben leeg gegooid, bewikkelde ik deze met twee spoelen van normaal montagedraad. Hierbij kwam gelukkig mijn ervaring weer van pas van vroegere constructies met grote spoelen o.a. die met glijcontact.

Alles was met grote haast in elkaar gezet, met de wetenschap dat elke minuut verloren tijd betekende, maar nu was de zaak klaar en kwamen nu de spannende momenten. Na het inschakelen gloeiden de buizen op en hoogspanning was overal aanwezig waar nodig, alles bleef mooi stabiel en ik kon verder nagaan of de oscillator en de eindtrap wel werkten. Dit bleek zo te zijn en kon met een normale ontvanger met visserijband worden ingetuned op de 80m. band. Na wat heen en weer gedraai aan de afstem C’s op de zender, sloeg de ontvanger met een plop dicht, dus moest er signaal aanwezig zijn.

Een normale hoge draadantenne werd nu gekoppeld aan de antennespoel op de fles en moest de zender nu gaan bewijzen echt te werken. Dit zou toch echt een wonder zijn! Met een kort stukje draad op de antenne-ingang van de ontvanger werd nog wat nauwkeuriger afgestemd en gekeken op welke frequentie de zender precies zat. De beide afstemcondensatoren van de oscillator en van de eindtrap bleken nagenoeg dezelfde stand te hebben, waardoor bleek dat de spoelen aardig klopten wat ik dan wel leuk vond.

Om te weten of de antenne wel energie opnam, monteerde ik een lampje in de antenneleiding en na enig gecorrigeer en het verschuiven van de antennespoel op de fles brandde het lampje door wat resulteerde in ca.10 Watt output.

Wat nu verder gebeurde was nogal emotioneel, na elke oproep “hier noodzender Zierikzee”, werd de antenne omgeschakeld naar de ontvanger en werd op deze voorzichtig de band afgezocht op antwoord. Plotseling kwam vlak naast onze eigen freqentie PA0VVZ keihard binnen met de boodschap dat wij goed ontvangen werden. Wij waren verbouwereerd en een seconde later vielen wij elkaar om de hals terwijl ik in tranen uitbarstte. Dit duurde maar heel even, de spanning was dan ook veel te groot geweest! De enorme druk hierbij eiste nu zijn tol.

Nu moest er actie komen en snel worden gehandeld, want hoelang zou de zender het blijven doen?

Ik overhandigde Koopman de microfoon en legde hem uit hoe te handelen na elke oproep, op de ontvanger had ik tekens gezet waarop gelet moest worden. Ik rende toen naar het gemeentehuis om melding te maken dat er contact was met de buitenwereld. De gemeenteraad was gedeeltelijk aanwezig en druk in de weer met jenever om elkaar moed in te drinken. Op mijn boodschap dat het gelukt was contact te maken was men enthousiast en verbaasd. Blij dat men nu in staat was de nodige berichten te verzenden over de toestand. Ik werd op de schouders getild van de aanwezigen terwijl de burgemeester zijn dank uitsprak. Nadat men tot bezinning kwam, werd er snel gehandeld en kreeg ik van hun een aantal berichten mee om te zenden.

Hierna werd het een dolle boel, iedereen kwam met berichten om te zenden d.w.z. post, gemeente, politie, waterstaat en ondernemers van het eiland.

Door de grote drukte die hierbij ontstond werd het terugluisteren erg bemoeilijkt waarop de gemeente twee stenografen beschikbaar stelde om ons te ontlasten. De PTT legde snel een telefoon leiding aan over de daken naar onze plek,waardoor er wat orde kwam in de communicatie onderling.

De heer Kunst met de zender PA0WZ in Middelburg, was altijd op zijn post om alle berichten door te geven. Voor die tijd had ik ook contact met het vliegveld Woensdrecht, ik verzocht om rubberboten, laarzen, kleding, voedsel en babyvoeding boven Zierikzee te droppen. In de nacht hierop kwam de KLM Dakota boven de stad en nadat er contact was gemaakt, vroeg de piloot mij wat er met de lading moest gebeuren. Ik verzocht hem te blijven circelen. Piet Meerman en ik renden naar resp. gemeente en politie om hun te vragen auto’s te plaatsen met ontstoken koplampen op het droge stuk van het grote plein om zodoende een baken te vormen waarin de piloot zijn last zou kunnen droppen. ik nam contact op met de piloot, vertelde hem wat men ging doen om hem in staat te stellen te kunnen droppen.

Het moet een kunstenaar geweest zijn, want het lukte hem aardig zijn opdracht uit te voeren, zij het dan dat er hier en daar wel een rubberboot door het dak van een huis knalde! Deze piloot is met de zelfde machine nog dikwijls boven Zierikzee terug geweest om materiaal te droppen. Eens maakte hij contact, waarbij hij vroeg, waar zitten jullie nu eigenlijk? Waarop Piet Meerman op het binnenplaatsje ging staan zwaaien met een lange stok met een lap eraan. Dit werd door de piloot gezien, wat hij schommelend met de machine kenbaar maakte. Een keer moest ik hem waarschuwen bij het droppen, “hallo vliegtuig boven Zierikzee, hallo vliegtuig boven Zierikzee, U gooit de daken stuk! U gooit de daken stuk!” Door het dikwijls moeten herhalen van oproepen in het algemeen, deed ik dat ook soms in normale gesprekken. Dit maakte dan ook een vreemde indruk. Het is gelukkig wel overgegaan.

Eens zei de piloot: “Als dit akkefietje achter de rug is, moeten wij samen toch eens een biertje gaan pakken.” Het is er helaas niet van gekomen, jammer, het zou toch leuk zijn geweest!

Doordat de hele communicatie-molen een dolle zaak was geworden, had ik geen begrip meer van dag en nacht en werkte ik maar door. Geheel parallel aan deze gebeurtenissen, speelden ook andere belangrijke zaken. Meerman was hierin de belangrijkste schakel, hij was onvermoeibaar bezig met het uitwisselen van gegevens tussen de instanties en belanghebbende bedrijven, waarbij alles te voet moest gebeuren. Verder werden wij voorzien van voedsel, koffie en rookwaar, door de vrouw en de dochter van mijn werkgever, dag en nacht door.

Na een aantal uren aanwezig te zijn geweest, ging de student Koopman terug naar zijn familie en is nadien niet meer teruggekomen. Tussen het gewone werk door, kon nog worden samengewerkt met helikopters om deze te dirigeren naar plaatsen waar mensen op bomen en daken zaten om deze te redden. Tips en aanwijzingen hiervoor kwamen weer van andere geredde personen.

Er gebeurde eigenlijk veel te veel om alles te kunnen beschrijven. Op een moment, druk bezig zijnde, werd ik op mijn schouder geklopt, onopgemerkt stonden achter mij al enige tijd twee heren. Deze kwamen helemaal uit Friesland om hun zendinstallatie aan te bieden, mocht mijn zender uitvallen. Een der heren, de heer de Haan zei na een tijdje de bedrijvigheid te hebben bekeken, zo te zien blijft de zaak goed werken! Men besloot op een andere plek, het kantoor van de fa. Doeleman een tweede station te openen.

in de loop van de dagen en daarna, kregen wij bezoek van TV en mediamensen, waaronder twee Italiaanse technici van de radiofabriek Marelli, Milaan, die ook de noodzender hadden ontvangen en nieuwsgierig kwamen kijken, nieuwsgierig naar de constructie.

Herman Felderhof maakte een TV reportage, welke hij jaren later nog eens herhaalde bij een herdenkingsuitzending. Na bijna honderdtwintig uur in de lucht geweest te zijn, wakker gebleven met koffie en sigaretten, ben ik naar men zei, half buiten kennis van mijn stoel gegleden. Dit was dan ook tevens het einde van het noodstation.

Na eens behoorlijk te hebben geslapen, kon ik weer normaal denken en weer de nodige aandacht geven aan mijn zoontje. Hij was blij dat hij zijn vader weer eens te zien kreeg. In de afgelopen dagen was hij in goede handen geweest bij de vrouw van mijn werkgever en zag er goed uit. Naar alle doorgestane ellende, ben ik eens bij mijn huis gaan kijken, het was helemaal leeg gespoeld doordat er toch een gedeelte was beschadigd. Huisraad en persoonlijke bezittingen waren weg.

Ik besloot mijn baan op te zeggen en te evacueren naar Rotterdam, mijn geboortestad. Aldaar aangekomen werd ons gezin herenigd en vonden wij gastvrijheid en onderdak bij een gezin.